• Home
  • Blog
  • Second opinions bij euthanasieverzoeken op psychische gronden.

Second opinions bij euthanasieverzoeken op psychische gronden.

31 maart 2026

De afgelopen vier jaar doe ik psychiatrische second opinions bij euthanasieverzoeken op psychische gronden. Een collega, die dit al langere tijd deed, heeft me hiervoor geïnteresseerd. Kern van de beoordelingen is kort samengevat de wilsbekwaamheid van de vrager en de taxatie over er nog redelijk haalbare behandelopties bestaan

Inmiddels heb ik hiervoor 42 mensen beoordeeld, 38 op verzoek van het Expertisecentrum Euthanasie, 2 via een psychiater en 2 via de huisarts. Het ging om 29 vrouwen en 13 mannen. Dit geslachtsverschil wordt ook door anderen gerapporteerd. Wat betreft de leeftijden zijn deze ongeveer gelijkmatig verdeeld over alle leeftijdscategorieën, met twee uitzonderingen: de groep tussen de 21 en 30 jaar bestond uit louter vrouwen, 5 in totaal. Verder zag ik de minste vragen in de groep 41-50 jaar.

Interessant is uiteraard om welke problematiek het ging. Tevoren had ik gedacht dat het vaak zou gaan om eenduidige diagnoses zoals depressie of schizofrenie, waarbij er geen haalbare behandelopties meer zijn. Daar was echter slechts bij 9 mensen het geval, bij de meerderheid was er sprake van meerdere relevante diagnosen, waardoor het gebruik van toepasbare richtlijnen lastiger werd. Door mij werden de volgende diagnoses gesteld;

  • Persoonlijkheidsstoornis (15)
  • Depressieve stoornis (11)
  • PTSS (10)
  • Gestoord middelengebruik (8)
  • ASS (7)
  • Bipolaire stoornis (6)
  • Rest (13)

Hierbij viel mij op dat er bij slechts één patiënt ooit was gevraagd om een inhoudelijke second opinion, bijvoorbeeld bij een academische kliniek, bij een expertisecentrum of bij een onafhankelijke, toegewijde psychiater uit de eigen organisatie.

Jeugdigen, onder de 20 heb ik niet gezien maar wel 5 vrouwen onder de 30 jaar. Daarbij zag ik veel overeenkomsten, bij 4 was er sprake van PTSS, 3 met diagnose Borderline en nog 3 met ASS resp. LVB. Bij deze nog jonge mensen was zonder uitzondering veel fout gelopen, in de eigen ontwikkeling maar ook in de behandeling en was er ook zonder uitzondering geen vertrouwen meer in verdere behandelmogelijkheden. Soms leek die vertrouwensbreuk met de (ernstige) pathologie te maken te hebben, maar toch ook vaak met de geboden behandeling. Mensen werden vaak van het ene naar het andere circuit verwezen en er was zelden sprake van een geïntegreerd hulpaanbod.

Tot slot het effect van mijn inspanningen: second opinions zijn wettelijk voorgeschreven, zodat door mijn activiteiten aan deze voorwaarde werd voldaan. Volgens sommigen is dit nutteloos, omdat er toch altijd wordt meegegaan in de vraagstelling. In mijn geval oordeelde ik dat iedereen aan de wilsbekwaamheidscriteria voldeed, maar was ik wel van mening dat er bij 9 mensen nog sprake was van reële behandelopties. Wat daar vervolgens mee werd gedaan, was voor mij niet altijd duidelijk. Eén keer zag ik iemand voor een tweede beoordeling, waarop er uiteindelijk toch een euthanasie heeft plaatsgevonden. De aanvragers hebben mij meestal wel laten weten hoe de toetsingscommissie achteraf heeft geoordeeld en die zijn tot nu toe altijd akkoord gegaan met mijn conclusies.

Conclusie: Vanuit de overtuiging dat ik hiermee nuttig werk doe, zal ik hiermee doorgaan. Op de vraag of euthanasie op psychische gronden, inclusief de huidige second opinion, mogelijk moet blijven geef ik daarmee impliciet een positief antwoord. Wat mij betreft zou eventuele discussie vooral moet gaan over verbetering van het hulpaanbod, zoals het voorkomen dat patiënten te vaak van het ene naar het andere behandelcircuit worden doorgeschoven. Ook zou er eerder gebruik gemaakt kunnen worden van deskundigheid van academische- of gespecialiseerde klinieken wanneer een GGZ organisatie er met een specifieke patiënt niet uitkomt.

Copyright © 2026 Buiten Psychiatrie. Alle rechten voorbehouden.